dinsdag 28 april 2009

Vandaag eens geen katten of muizen maar filosofie...
Een wat lang uitgevallen bericht, maar ja, dat is eigen aan filosoferen.

Enkele maanden terug heb ik mij gewaagd aan het lezen van een werk van één van de invloedrijkste denkers uit de twintigste eeuw,
Jean-Paul Sartre: De Wegen der Vrijheid.
Dit werk beslaat ongeveer 1000 bladzijden en bestaat uit 3 delen: 'De jaren des onderscheid', 'Het oponthoud' en 'De dood in het hart'.
Het werk staat bol van de ideeën, het is een filosofische roman.

Voor de oorlog houdt Sartre zich vooral bezig met de theorie van de vrijheid.
Het existentialisme benadrukt de absolute vrijheid van het individu. Sartre koppelt aan die absolute vrijheid de absolute verantwoordelijkheid van de mens.

Tot die tijd is Sartre van mening dat menselijk samenleven gelijk staat aan met elkaar in conflict zijn. Maar dat verandert als hij in de oorlog broederschap ervaart. Hierdoor krijgt hij sympathie voor het communisme, en later ook voor Mao. Hij probeert het onmogelijke te doen: het communisme verenigen met het existentialisme. Hij faalt daarin.
Sartre sterft in 1980. Zijn publieke rol is dan al een tijd uitgespeeld. Wel heeft hij tientallen romans, toneelstukken en essays nagelaten.
(bron: VPRO)

4 Ik was erg onder de indruk van de volgende passage uit
'De wegen der Vrijheid'

'En plotseling begon boven zijn leven en boven zijn bezoedeld lichaam een zuiver bewustzijn te zweven, een ikloos bewustzijn, als een beetje warme lucht; daar zweefde het en het was een blik en die blik bekeek de nagemaakte artiest en de burgerman die zich vastklampte aan al zijn gemakken, en de mislukte intellectueel die noch een revolutionair noch een opstandige was, de verstrooide dromer die door zijn eigen slappe leven omringd was, en die blik veroordeelde: ‘Die vent daar is een mislukkeling’.

Zijn leven was aan zijn voeten gevallen en daar lag het nu in brede plooien en omringde hem nog, het belette de bewegingen van zijn enkels, maar hij zou er uit stappen en dan zou hij zijn leven als een gestorven huid achter zich laten.

In de steek gelaten door het weke en tedere dier dat het zolang gehuisvest had, was dat eenzame leven tot plotselinge stilstand gekomen en zweefde nu op de rand van de wereld, vol kreten zonder weerklank, vol nutteloze verwachtingen en sombere glanzen, vol figuren en vervlogen geuren, en was als een eeuwige tussenzin, onvergetelijk en beslissend en even onvernietigbaar als een brok erts.

Niets kon dat leven meer beletten er geweest te zijn. Maar het had zijn uiterste lotsverwisseling ondergaan: zijn toekomst was gestold. ‘Een leven wordt met toekomst gemaakt, zoals het lichaam uit het ledig’.

Hij boog zijn hoofd: hij dacht aan zijn eigen leven. De toekomst was in hem doorgedrongen tot in het hart zelf, alles was er in aanleg aanwezig, in afwachting. De dagen van zijn prille jeugd waren daar, de dag waarop hij gezegd had: ik zal vrij zijn, de dag waarop hij gezegd had: ik zal groot zijn, kwamen hem nu voor als een strikt persoonlijke hemel die er in een zuivere ring boven hing: en die toekomst was hijzelf, hij, zoals hij nu was, vermoeid en ouder wordend. Iedere dag stelden zijn oude dromen van grootheid nog dieper teleur, en iedere dag bezat weer een nieuwe toekomst; langzaam vergleed zijn leven van afwachting tot afwachting, van toekomst tot toekomst… waarheen?'


Identiteit tegenover vrijheid.
444
De behoefte aan identiteit is menselijk. Want wanneer we er over uit zijn wíe (maar vooral wát) we zijn, dan hoeven we onze plaats in de wereld niet steeds opnieuw te kiezen. Maar als een mens zich tot zijn identiteit reduceert, dan verwordt hij daarmee tot een object; onvrij en onderhevig aan wetmatigheden. Niet meer bij machte om gewoontes, stereotype reacties te doorbreken, als een ding onder de dingen.
Vrijheid geeft een mens de mogelijkheid om te allen tijde zijn identiteit opnieuw te interpreteren, of in het uiterste geval zelfs af te werpen. Door deze vrijheid is de mens méér dan een ding dat niet in staat is tegen wetmatigheden in te gaan. Dankzij zijn vrijheid kan de mens waarlijk mens-zijn. Maar gemakkelijk is het niet. Sartre was zich dat als geen ander bewust. Zijn beroemde slogan is: ,,De mens is gedoemd om vrij te zijn”.

Strijden tegen of

inschikkelijk zijn met
het beeld dat een ander van ons heeft.

444
Vervreemding, bedreiging, veroordeling. Tot het moment dat men oog in oog met elkaar staat, en er contact kan zijn. Dan staan er twee vrijheden tegenover elkaar in een hachelijke situatie. Want wie veroordeelt wie? En hoe gaan we daar mee om?
Sartre biedt twee mogelijkheden.
4 Primo: De beste verdediging is de aanval. Iemand kan altijd proberen zijn vrijheid terug te winnen door de ander met zijn blik te verslinden. De ijdeltuit kan in plaats van gestigmatiseerd te worden, zélf gaan stigmatiseren. En dan is de ander ineens onhebbelijk, onverzorgd, en wat dies meer zij. Door de ander te stigmatiseren heeft degene die gestigmatiseerd werd zijn vrijheid heroverd en zegeviert hij over de ander.
4 Secundo: Een slaafse onderwerping, juist aan de blik van de ander, is ook een mogelijkheid om de strijd aan te gaan. Zien anderen ons als ijdel? Dan worden we toch ijdel! Als we daarin slagen, dan komen hun stigmatiserende opmerkingen minder hard aan. Ze hebben immers gelijk? De bedreigende kracht die er van hun oordeel uitgaat, verliest zodoende zijn werking.

4 Strijden met het beeld dat de ander van ons heeft, is volgens Sartre de normale manier om de eigen vrijheid te handhaven. Dan hoeven we niet naar onszelf te kijken. Dan hoeven we onszelf geen vragen te stellen over onze eigen identiteit.
4 Inschikkelijkheid met het beeld van de ander daarentegen, geeft uiting aan een diep gevoelde wens om wel naar zichzelf te kijken en om zichzelf een vastomlijnde identiteit te verschaffen.
Daardoor weet hij wat hij is en dat stelt gerust. Want wat zou er van ons overblijven als die identiteit weg zou vallen? Niets?

bron: Meike Oosterwijk en Léonne van der Weegen
...

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen